Ga naar inhoud

Overbruggingsfonds topsporters

NL Sporter heeft in 2003 en 2004 onderzoek verricht naar de wenselijkheid van (en behoefte aan) een overbruggingsvoorziening voor iedere topsporter. Sander Dreesmann heeft een groot aandeel gehad in het uiteindelijk uitgebrachte rapport ‘Overbruggingsvoorziening topsporters’. Een versie van het rapport is opvraagbaar op het kantoor te Hoofddorp.

Doel van het onderzoek was het in beeld brengen van de wenselijkheid van een overbruggingsvoorziening voor alle topsporters. Daarnaast hebben we kort aandacht besteed aan de behoefte onder topsporters aan een pensioenvoorziening. Voor het gehele onderzoek geldt dat voetballers en wielrenners buiten beschouwing zijn gelaten daar er voor hen reeds een overbruggings- en pensioenvoorziening bestaat. De belangrijkste resultaten van het onderzoek hebben we hieronder samengevat.

 

 

Samenvatting

Behoefte
De meerderheid van de topsporters heeft behoefte aan een overbruggings- en pensioenvoorziening. Onder de topsporters met behoorlijke inkomsten uit sport (jaarlijkse inkomsten uit sport EUR 14.500 of meer) is deze behoefte zelfs groot (75 procent). Topsporters hebben over het algemeen meer behoefte aan een overbruggingsvoorziening dan aan een pensioenvoorziening. Alleen topsporters met jaarlijkse inkomsten uit sport van EUR 29.500 of meer vinden beide voorzieningen even belangrijk.

Inkomensontwikkeling en hoogte inkomsten uit sport
Zowel de totale bruto-inkomsten van topsporters als hun sportinkomsten zijn de afgelopen jaren behoorlijk toegenomen. Topsporters met A-status hebben jaarlijks circa vijf maal zoveel inkomsten uit sport als topsporters met B-status. Het percentage topsporters met B-status en zonder NOC*NSF-status dat per jaar aan sport EUR 8.000 of meer verdient is ongeveer gelijk. Naarmate topsporters ouder worden gaan ze meer verdienen met hun sport. De jaarlijkse sportinkomsten stagneren rond het 31ste levensjaar van de topsporter. De jaarlijkse inkomsten uit sport verschillen enorm per tak van sport en per sportcluster: in de clusters Schaatssport (EUR 42.100), Volley(- en basket)bal (EUR 13.400) en Racketsport (EUR 10.200) wordt gemiddeld genomen het meest verdiend, in het cluster Overige balsport verdienen de topsporters gemiddeld genomen nauwelijks iets met hun sport (EUR 1.400).

Inkomensopbouw
De opbouw van het totale sportinkomen van topsporters blijkt sterk te verschillen per tak van sport en in mindere mate ook per individuele topsporter binnen die tak van sport. Geen van de vier door ons vastgestelde categorieen van sportinkomsten – arbeidsovereenkomst (inclusief stipendium ), sponsoring, start- en prijzengeld en overige inkomsten uit sport – is in alle sportclusters overheersend. Wel wordt in bijna de helft van de sportclusters meer dan 40 procent van het totale sportinkomen uit arbeidsovereenkomst (inclusief stipendium) verdiend. Topsporters met behoorlijke inkomsten uit sport (EUR 14.500 of meer per jaar) verkrijgen meer dan 77 procent van hun sportinkomsten uit arbeidsovereenkomst (inclusief stipendium) en sponsoring.

Carriereduur: geplande leeftijd van stoppen
De carriereduur en gemiddelde leeftijd van stoppen komen in de meeste takken van sport behoorlijk overeen met die bij voetbal en wielrennen. In het turnen en in mindere mate in het zwemmen plannen topsporters gemiddeld genomen eerder te stoppen. Topsporters in het schaken, dammen en bridgen zijn vaak tot na hun 40ste actief op het hoogste niveau.
Voor takken van sport met een evident afwijkende carrierereduur (en leeftijd van stoppen) zal nader bepaald moeten worden of en in hoeverre afwijkende voorwaarden dienen te gelden voor deelname aan een overbruggingsvoorziening.
Opvallend is dat topsporters in de hogere inkomenscategorieen over het algemeen langer door willen gaan met het bedrijven van topsport dan die in de lagere inkomenscategorieen.

Gesignaleerde knelpunten
Wij hebben diverse knelpunten gesignaleerd waaromtrent nadere beslissingen dienen te worden genomen. Beslist zal onder andere moeten worden of zogeheten stipendiumtrekkers over hetgeen zij teveel verdienen, gelet op het bij het stipendium behorende Uitkeringsreglement, zullen mogen afdragen aan een overbruggingsvoorziening. Ook zal bepaald moeten worden of er een deelnameverplichting komt en voor wie deze geldt. Verder is het nodig dat per tak van sport (of eventueel per meerdere takken van sport tegelijk) vastgesteld wordt hoe hoog het minimum sportinkomen voor deelname moet komen te liggen. Hierbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de onkosten voor de sportbeoefening.

Omvang potentiele doelgroep plus enige berekeningen
Teneinde de omvang van de doelgroep voor een overbruggingsvoorziening vast te stellen zijn we uitgegaan van de volgende definitie: ‘een topsporter mag deelnemen aan de overbruggingsvoorziening, indien hij fiscaal gezien in Nederland woonachtig is en over het betreffende jaar minimaal EUR 14.500 aan effectief door Nederland belastbare inkomsten uit sport heeft’.

Er zijn ongeveer 250 topsporters die aan deze definitie voldoen en derhalve behoren tot de huidige potentiele doelgroep voor deelname aan een overbruggingsvoorziening. Vanuit het Ministerie van Financien is aangegeven dat de gemiste belastinginkomsten, door een eventuele uitbreiding van bestaande overbruggingsvoorzieningen, niet meer mogen bedragen dan de extra belastinginkomsten door versobering van de CFK-regeling. Vereist is derhalve dat deze wijzigingen voor het Ministerie van Financien budgettair gezien op zijn minst neutraal uitvallen. Uit de door ons gemaakte berekeningen blijkt dat bij een versobering van de CFK-regeling, door het instellen van een maximaal salaris waarover mag worden afgedragen van EUR 250.000 per jaar, ruimschoots aan dit vereiste kan worden voldaan.

Argumentatie
De belangrijkste argumenten voor overbruggingsvoorzieningen zijn onder meer dat er onder topsporters grote behoefte is aan een dergelijke voorziening en dat in het verleden (februari 1999) vanuit overheidszijde is geopperd dat een overbruggingsvoorziening gewenst is.
De argumenten tegen zijn meer gericht op wijziging van de bestaande voorzieningen voor voetballers en wielrenners, dan dat zij echt tegen overbruggingsvoorzieningen in het algemeen zijn gericht. Wel geven de argumenten tegen aan dat, voor totstandkoming van een overbruggingsvoorziening voor alle topsporters, specifieke regels voor bepaalde takken van sport dienen te worden vastgesteld.

Toekomstige stappen
Alvorens een overbruggingsvoorziening voor alle topsporters tot stand kan komen, dienen bepaalde zaken nog nader onderzocht te worden. Belangrijk is in ieder geval een onderzoek waarin bekeken wordt hoe hoog het minimum voor deelname aan een overbruggingsvoorziening per tak van sport dient te liggen. Om de overbruggingsvoorziening tot stand te brengen zal een generale regeling opgesteld dienen te worden waarin de hoofdzaken zijn opgenomen. Hierin moet bijvoorbeeld worden opgenomen welke inkomsten precies vallen onder inkomsten uit sport. Aan de hand van de generale regeling zullen sportbonden, voor wie de regeling gaat gelden, hun reglementen zodanig moeten aanpassen dat daardoor de (eventuele) deelnameverplichting een feit wordt. Dit kan door clubs (werkgevers) te verplichten deelname aan de overbruggingsvoorziening op te nemen in de te sluiten arbeidsovereenkomsten met topsporters (werknemers) of door middel van een licentiesysteem.